Menu +

Bell 47

Bell 47’s in Nederlandse dienst
De eerste vraag was nog interessanter; om aandacht te geven aan een object moet het natuurlijk wél Nederlandse relevantie hebben. De zoektocht begon… Volgens de Luchtvaart-archief-website van Herman Dekker hebben er verschillende Bell 47’s ingeschreven gestaan in Nederland; bijvoorbeeld de PH-AAG en de PH-AAH. De AAG was een Bell die door het Italiaanse Augusta gebouwd is, de AAH lijkt een echte Amerikaanse te zijn. Beide machines hebben van 1962 tot 1971 dienst gedaan bij eerst ‘Aero Ypenburg’ en later bij de ‘NV Luchtvaartmaatschappij General Aviation’ uit Rotterdam. Er is geen noemenswaardig nieuws bekend over het gebruik van de twee Bell’s in die periode.
Dat noemenswaardige nieuws is er wel op twee andere momenten in de Nederlandse luchtvaartgeschiedenis; er werden Bell’s 47 ingezet tijdens de Watersnoodramp in 1953 en tijdens een expeditie naar het Sterrengebergte in 1959, in het voormalig Nederlands Nieuw Guinea.
De Bell’s die tijdens de Watersnoodramp werden ingezet waren Amerikaanse machines van het Amerikaanse Leger die werden ingevlogen vanaf Amerikaanse bases in voormalig West-Duitsland. In die tijd hebben de machines heroïsch werk geleverd, samen met helikopters uit België (Sabena), Engeland (Royal Navy) en natuurlijk onze eigen Sikorsky S-51 ‘Jezebel’ van de Koninklijke Marine, en diverse Hillers van de Koninklijke Luchtmacht.

Expeditie Sterrengebergte
Het tweede moment is dus de expeditie geweest naar het Sterrengebergte, in 1959, toen één van de laatste ‘witte vlekken’ op de wereldkaart. Er werd besloten om die witte vlek in kaart te brengen. De directeur van het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie (tegenwoordige ‘Naturalis’) de heer Brongersma werd als expeditieleider aangesteld en hij werd geassisteerd door Kapitein Luitenant ter Zee Venema. Deze laatste was verantwoordelijk voor het technisch logistieke deel van de expeditie en hij was degene die besloot dat er twee Bell’s 47 werden ingehuurd (en gevlogen door Marine Piloten in de opvallende oranje Penen-Pakken (vliegoveralls)…). Tijdens het schrijven van dit stuk dook er een bijzondere foto op uit het archief van een van de redacteuren; een foto waarop een Nederlandse Marineman in een oudere Amerikaans geregistreerde Bell 47 zit. Zou deze foto genomen kunnen zijn tijdens een testvlucht voor de expeditie..? Vast staat dat de foto gemaakt is op vliegveld Jefman op Sorong.
De hele expeditie naar het Sterrengebergte kan overigens gekarakteriseerd worden als ‘typisch Nederlands’; de opzet was nobel, de doelstellingen niet al te zwaar, en als het lukt konden wij de wereld laten zien dat ons kleine landje zich nog steeds bekommerde om dat enorme Nederlands Nieuw Guinea en daarvan een vrome hoeder was.

Echt Nederlands…
Maar ik schreef al niet voor niets dat het typisch Nederlands was, want de uitvoering van de expeditie was ondoordacht, er werd een aantal malen overwogen de expeditie af te blazen omdat er ruzies waren in het team over bijna alles, er waren grote financiële tekorten, en ondanks alle goede bedoelingen zou Nederlands Nieuw Guinea, alle Papoea’s tot op de dag van vandaag ten spijt, in 1963 worden overgedragen aan Indonesië.
Maar…… Een avontuur was het wel! Het was de grootste en meest kostbare expeditie die ooit was georganiseerd en het moest wetenschappers op allerlei gebied informatie geven. Er werd dan ook van alles bestudeerd; gesteente, grondsoorten, bloemen en planten, dieren, en zelfs mensen (Papoea’s) werden onderzocht.
Tijdens de voorbereidingen was besloten dat er twee lichte helikopters mee zouden moeten gaan om de gigantische lading vracht (er werd 30.000 kilo vracht uit Nederland naar Sorong verscheept…) van verschillende laaggelegen verdeelpunten naar de hoger op de berg gelegens kampen moest brengen. Zo lag er een landingsstrip bij het Basiskamp op 1200 meter, waar overigens ook de bij Kroonduif ingehuurde Twin Pioneers’ vracht naartoe vlogen. De heli’s moesten een deel van de vracht dan ook nog eens doorvliegen naar hoger gelegen kampen, waaronder een kamp dat op 2300 meter lag.
Kapitein Luitenant ter Zee Venema huurde in Nederland twee helikopters bij Schreiner Aero Contractors NV. In overleg met Schreiner werd gekozen voor twee Bell 47 helikopters. Schreiner schafte deze aan en schreef ze, op 17 maart 1959 in, in het Nederlands register onder de registraties PH-HEO en PH-HEN.

MS Musi Lloyd
De heli’s waren toen overigens al op weg naar Papoea, aan boord van het vrachtschip de MS Musi Lloyd. Daar aangekomen werden er proefvluchten mee gedaan en konden de machines hun eigenlijke werk gaan doen. Het gebruik van de Bell’s viel echter al heel snel tegen; men had gepland dat er zo’n 200 kilo aan expeditiemateriaal per vlucht vervoerd kon worden. Maar dat was de capaciteit op zeeniveau. Omdat de lucht hoe hoger je komt ijler wordt, en het basiskamp op 1200 meter lag, bleek dat op die hoogte maar 120 kilo aan nuttige last meegenomen kon worden, en op 3000 meter helemaal niets extra’s meer…… Bovendien was het vaak mistig of waaide het hard, waardoor het gebruik van de heli’s ernstig bemoeilijkt werd en maar een deel van de geplande vlieguren gemaakt konden worden. Bovendien kregen een aantal piloten en techneuten geelzucht, waardoor het hele vliegbedrijf kwam stil te liggen en er een nieuwe (MLD)crew uit Nederland ingevlogen moest worden….
En om al het leed nog extra te verzwaren crashte de PH-HEO, door een valwind, bij het kamp op 2.300 meter en bleef alleen de HEN dus over.

Kroonduif en Shell
De luchtvaartsector speelde sowieso een negatieve rol tijdens de expeditie want omdat de heli’s niet vlogen moest opnieuw de dure plaatselijke luchtvaartmaatschappij ‘Kroonduif’ worden ingehuurd en die kon vaak niet vliegen omdat de vliegvelden te drassig waren door hevige regenval, of omdat de voorraden op kleine strips waren neergelegd die wel door de helikopters maar niet door de zware Twin Pioneers bereikt konden worden… Ten einde raad werden toen vliegtuigdroppings georganiseerd door de plaatselijke werkpaarden in Papoea; met een Catalina (PK-AKT) van de Nederlandse Nieuw Guinea Petroleum Maatschappij (later Shell) en met een Dakota (JZ-POD) van de Kroonduif.
Na thuiskomst van de expeditieleden in 1960 was de conclusie van de expeditieleider dat men met treurnis het gebied verlaten had. De lokale bevolking was heel vriendelijk geweest en enorm behulpzaam. Ergens leefde het idee bij de Papoea’s dat witte mensen op de witte toppen van de bergen leefden en daar dus graag naartoe terug wilden en daarom dus al die moeite namen. De helikopters waren de vogels die de verbinding vormden tussen die witte toppen en het dal beneden. Toen de Papoea’s voor het eerst mee mochten naar die blanke oorsprong en voor het eerst sneeuw zagen vonden ze dat zó bijzonder dat ze er blikjes en zakjes mee vulden, om aan familie benden te laten zien. Toen ze echter onder de sneeuwgrens daalden en de sneeuw verdween kregen ze er onderling een enorme ruzie over omdat de Papoea’s elkaar ervan beschuldigde de sneeuw gestolen te hebben….. Wat die witte top betreft zagen de Papoea’s dat overigens wel goed; tegenwoordig zouden wij dat een ivoren toren noemen….

PH-HEN vliegt nog….?
Maar goed, terug naar de Bell’s want daar is nog wel het een en ander over te melden. De PH-HEN blijkt nog te bestaan; ergens in Zuid Frankrijk moet deze machine zich nog steeds bevinden, hoewel er geen recente foto’s zijn en het (dus) de vraag is of de heli nog vliegt. Het onderzoek van Verenigde Vleugels naar deze heli loopt nog steeds door.

… en PH-HEO deels bergen?
Het dorp waarboven het wrak van de verongelukte Bell 47 ligt is bekend en misschien is het mogelijk onderdelen van de machine mee te nemen zodat deze gebruikt kunnen worden in het verder completeren van de Bell-47 restanten op het Hembrugterrein. En zou dat niet mooi zijn? Die Bell op Hembrug als luchtvaartrepresentant van wat ooit een onderdeel van het Koninkrijk was.
(Dit artikel van Arno van der Holst is gepubliceerd in Verenigde Vleugels 19e jaargang nummer 4 Juli-Augustus 2017)